Zoeken
  • Jan van Deursen

Het echte dorp


Een tijdje geleden las ik een artikel over de vermeende arrogantie van Amsterdammers. Ze kijken nogal neer op ons, de buitengewesten. Althans, dat is het beeld dat van de Amsterdammer bestaat. Het is nu eens onderzocht. En wat denk je? De Amsterdammer is arrogant. Ter verdediging: hij kan het niet helpen. Want als je zo verwend bent met je musea, theaters, toprestaurants, concertzalen, filmhuizen, debatcentra en nu eindelijk ook een Johan Cruyff Arena (waarin een stelletje steenrijke godenzonen overigens geen deuk in een pakje boter meer speelt)… probeer dan maar eens te geloven dat je niet in het centrum van de wereld woont.

Ik kan niet ontkennen dat het concept van hoofdstedelijke arrogantie ook in mijn hoofd bestaat. Het gekke is dat de Amsterdammers die ik persoonlijk ken dat beeld niet voeden. Ze staan open voor wat zich in mijn omgeving afspeelt, genieten van onze gezamenlijke wandelingen op deze of gene heide, zijn geïnteresseerd in de plaatselijke politiek of stellen vragen over de woningbouw in mijn dorp.

Maar goed, stedelijke arrogantie komt voor op elke schaal. Waar Nijmegen vanuit Amsterdams perspectief niets meer is dan een – misschien interessante, maar toch – provinciestad, kijken Nijmegenaren op hun beurt vaak meewarig naar de omringende dorpen. De cultuurmaatschappelijke voorhoede is namelijk nogal vol van de eigen stad, waarin ik trouwens ook graag vertoef. Maar de eigenliefde slaat hier en daar door. Zo wordt er stevig getamboereerd op het Romeinse verleden en de status als oudste stad van Nederland die daaruit zou voortvloeien. Dat gaat gepaard met een groot gevoel van trots.

Nu is trots een begrip dat zwaar aan inflatie onderhevig is. Het kleindochtertje dat het strikdiploma haalt, de pup die zijn drolletje voor het eerst buiten draait, achterneefje dat een zelfgemaakte tekening in de handen van Maxima drukt… Op Facebook zijn we tegenwoordig om alles supertrots. Sinds Rita Verdonk met trots aan de haal ging, kan ik het woordje nauwelijks nog aanhoren. En al helemaal niet als het samengaat met chauvinisme, patriotisme, nationalisme en om het even welk ander geografisch bepaald superioriteitsgevoel. Catalonië bewijst maar weer eens tot welke gekte dat kan leiden. Trots… dat ben je op je moeder of je buurman als die boven zichzelf zijn uitgestegen. Of omdat er een leven is gered. Maar toch niet omdat je toevallig op die ene plek geboren bent en niet op die andere? Of omdat je huis hier staat en niet daar?

Waarom moet een Nijmegenaar zich op de borst slaan omdat hij toevallig woont op een plek waar een dronken Romein tweeduizend jaar geleden een paal met het bordje Noviomagus de bodem in jaste en besloot dat dit een stad moest worden? Onzin! Het is trouwens net zulke onzin om je schuldig te voelen over het feit dat jouw stad een deel van het eigen historisch erfgoed verkwanseld heeft (de Valkhofburcht en de vestingmuren) of over de wetenschap dat Nijmegen zichzelf een jaar of vijftien geleden het allerlelijkste stationsplein van Nederland cadeau heeft gedaan.

De komst van de Spiegelwaal en het bijbehorende rivierpark met zijn strandjes is een fraai staaltje landschapskunst aan de noordkant van de stad. Zeker. Maar om je vervolgens te tooien met de krankjoreme titel Summer Capital of Holland… Ik moet er smakelijk om lachen. Het zomerse festival De Kaaij dan? Het is heel hip om daar in een tochtgat onder de oude Waalbrug op een wankel bistrostoeltje een mojito weg te nippen bij een snel koud wordende samosa op een vettig kartonnetje, luisterend naar het wegwaaiende geluid van een sympathiek maar niet zo heel goed strijkje. Maar wat er de lol van is?

Als bewoner van de periferie moet ik altijd grinniken als ik een Nijmegenaar voorstel om bij mijn koortje te komen zingen. Pure voorpret want ik weet precies wat de reactie wordt. Aanvankelijke nieuwsgierigheid smelt direct weg als ze horen waar dat koor actief is. In Beugen. Wáár? In Beugen! Je zíet ze denken: ‘mijn hemel, ik ga toch niet naar een boerengát om wat liedjes te zingen in een café naast een fokking kerk?’ Waarna ik vriendelijk maar beslist bedankt wordt en te horen krijg dat ze daarvoor echt niet vanuit de grote stad hoeven af te dalen naar het platteland.

Maar als ik een paar dagen later op een Nijmeegs verjaardagsfeestje de roddels en achterklap aanhoor met nieuwtjes uit de ons-kent-onskringetjes van wethouders, journalisten, ondernemers, theaterdirecteuren en vastgoedbobo’s denk ik: wat is hier nou het échte dorp? Ik begrijp die Amsterdammers wel.


14 keer bekeken

© Van Deursen Teksten 2020